15-07-2021

VERS magazine

U vraagt, wij draaien

‘Every day is a sales pitch’ suist door mijn kop; alles draait om het plaatje naar buiten toe. Zo moet een filmpitch ook telkens in een nieuwe mal van verwachtingen worden gegoten. Hoe leest de ander mijn verhaal? Welke toon zal aanslaan? Hoe schrijf ik dit keer niet te wollig, wel kort en krachtig, en tegelijkertijd interessant klinkend? Wat wil de ander horen? Zien? Lezen? Waar ben ikzelf en waar is mijn idee nog als ik mijn ziel zo haast in de schoot van iemand anders leg? 


Dat schrijven van een pitch is een dingetje. Ik voel me een beroepskunstenaar daarin. Ervaring zegt niet alles - want te veel ervaring staat voor routine, dus een herhaling van een kunstje - maar ik merk dat het me te gemakkelijk afgaat. U vraagt vernieuwing in vorm en inhoud, ik draai. Terwijl ik mij iedere keer door de voorwaarden heen worstel valt het me op hoe vaak de vragen vanuit open deuren komen: je bent een talentvolle, ambitieuze, frisse maker. Ja, dûh! Anders doe je toch niet mee? Maar wat is talentvol? Wat is ambitieus? Fris? Wat is actueel en maatschappelijk beladen genoeg? En: het idee moet alwéér vernieuwend zijn. Altijd maar vernieuwend. 
 
Ik vind er wat van, maar ik weet niet wat ik ervan moet vinden. Snap je die gedachte? Het geeft de tegenstrijdigheid in mij weer; het ambivalente, confronterende gevoel als ik de voorwaarden van zo’n pitch lees. Ik wil bijvoorbeeld in mijzelf en mijn ideeën geloven, maar ik wil ook niet overschreeuwend en arrogant overkomen. Ik ben overtuigd van mijn talent, maar ik heb voor mijn gevoel te weinig prijzen en ervaring om mee te smijten. Ervaring waarvoor ik ervaring nodig heb om die te kunnen verkrijgen; een kip-en-ei-verhaal. 



Het is alsof we ons het gunnen hebben ontnomen, iets wat ik ook proef bij de pitchvoorwaarden. De maker moet zich al bewezen hebben op tal van vlakken voordat er een basis van vertrouwen is. Waar bestaat ‘iemand een kans geven’ dan nog uit? Mijns inziens zegt dergelijk selectiebeleid meer over het zelfvertrouwen van iemand die zo’n pitch uitschrijft dan dat er een inhoudelijke grond is om zo naar makers te kijken. Waarom voelt dit zo? Zijn er te veel makers of mensen die maker willen zijn? Dat kan ook nog. Misschien voelt het daarom zo tegenstrijdig voor me: de kunstenaar die moet uitleggen wat hij met zijn kunst beoogt, terwijl je de kunst doodmaakt als je die tot in elke punt moet motiveren. Mijn conclusie: mysteries werken richting een publiek, niet voor een pitch. Dan moet alles kraakhelder zijn. Misschien staat de Nederlandse film verder van kunst af dan ik denk.  
 
Is het niet te veel business geworden, waarin alleen ellebogenwerkers de beste kunnen zijn? Ik heb die minderwaardige gedachte over mijzelf niet meer nodig – wat wederom tegenstrijdigheid in mij oproept. Want waarom zou ik mijzelf nog met pitches moeten wíllen bewijzen als het iedere keer zo’n strijd is? Als het iedere keer meer om de business gaat dan om het verhaal, de kunst? Als ik wederom de volgende keer beleidsmakers en beslissers naar de mond praat, datgene schrijf waarvan ik vermoed dat zij dat willen lezen? Het is kiezen of delen: of bij mijzelf blijven en zodoende wellicht minder kans op succes of vallen voor waar de populariteit ligt en zodoende mijn ziel aan de duivel verkopen. Hoe dan ook is het verschrikkelijk moeilijk om bij jezelf te blijven als van alle kanten aan je getrokken wordt. Maar nog steeds is dat hetgeen wat ik iedereen op het hart wil drukken. Dan heeft de Nederlandse film toch kans om zich steeds meer richting kunst te bewegen.

 

Wouter Springer


Gigi van Grevenbroek


 

VERS VOLGEN

     

SCHRIJF JE IN
VOOR DE NIEUWSBRIEF